Nu we weten dat wat een groot deel van de mensen bouw noemt , eigenlijk de houding is en dit veranderbaar is kunnen we gaan kijken naar de onbalans van het paard. Hiervoor is het belangrijk dat je je paard observeert.

Je kunt het paard testen op een paar punten om de kijken hoe de balans is in het lichaam.

Test 1: Diagonale test. Pak een voorbeen op en kijk naar het diagonale achterbeen. Blijft het paard stil staan of zie je dat er een wankeling ontstaat?

Test 2: Voel met je handen de spieren af. Waar voelt het weefsel strak aan?

Test 3: Observeer de beweging
Kijk naar:
– Paslengte
– Op welk been draagt het paard het meeste gewicht?
– Is het paard recht of heeft hij een voorkeur voor links of rechts gebogen te lopen?
– Welke delen bewegen er voldoende en welke delen zien er stug of stram uit
– Zie je de ribben van links naar rechts wiegen (Ga achter het paard staan om dit te bekijken)
– Kijk ook naar of het achterbeen buiten de massa word gezet of misschien juist wel naar binnen
– Ga voor het paard staan en bekijk of het paard zijn voorbenen recht naar voren komen of zwaait er een been naar de zijkant of heeft het paard juist een catwalk loopje? ( Kruist de benen voor elkaar)

Test 4: Luister naar hoe het paard loopt. Hoor je een onbalans in de voetstappen? Komen de voeten allemaal even hard neer op de grond?

Test 5: Luister naar de ademhaling. Kan het paard goed ademen of is er een verandering in de ademhaling?

Je kunt het best beginnen met het observeren van de houding van het paard. Wanneer het paard stil staat kiest het paard de houding waar hij het meest comfortabel in is. Hieruit kun je zien welke spanningspunten het paard heeft in het lichaam.

Palperen

Palperen is het afvoelen van het paard zonder direct een oordeel hierover te geven. Je gaat met een zachte hand over de spieren heen en probeert het verschil in spierspanning en warmte te voelen. Wat belangrijk is om in je achterhoofd te houden tijdens het observeren en palperen is dat ieder paard anders is. Je kunt niet verwachten dat een manege pony waar kinderen van 6 jaar op leren licht rijden de zelfde bespiering heeft als een subtop dressuur paard. Kijk dus echt naar de leeftijd en de graad van africhting van het paard.

Als je het paard gaat afvoelen probeer dan te controleren op:
– Warmte
– Zwelling (peesschede, kroonrand, pezen, spronggewricht, hak, knie)
– Spierspanning
– Littekens
– verklevingen (Inwendige littekens wat kan voelen als een harde platte bult, maar kan ook andere vormen hebben)

Spierspanning

Hypertonie is een te hoge spierspanning.
Normotonus is een normale spierspanning.
Hypotonie is een te lage spierspanning.

Naast de spierspanningen heb je ook nog afwijkingen aan de bespiering.
Atrofie is als er duidelijk verminderde spieromvang is.
Hypertrofie is als de spieromvang duidelijk vergroot is.

Schedel

Naast het lichaam kan je paard zijn schedel ook veel informatie vertellen. Wanneer een paard spanning heeft op het kaak gewricht kan het paard niet goed nageven. Hierdoor krijg je problemen in rug en hals en kun je dit dus terug zien in het lichaam. Ondanks dat je dan de rug en de hals gaat behandelen heeft dit geen nut als de kaak van het paard nog geblokkeerd is. We observeren de schedel op symmetrie. Hiervoor pakken we een paar vasten punten om te controleren.

punt 1: de ogen: kijk of de ogen gelijk zijn. Door de spierspanning kan het lijken alsof 1 oog verder naar achter getrokken staat of bijvoorbeeld hoger dan het andere oog. Wanneer dit is heeft het paard moeite met diepte zien en kan het schrikkerig reageren.

Punt 2: De jukbeenderen. Probeer te kijken of de jukbeenderen gelijk zijn of dat er een korter is dan de ander. Vaak zie je dat er 1 wat platter is en de ander wat ronder.

Punt 3: De neusgaten. Wanneer het paard spanning heeft aan 1 kant kan het zijn dat het neusgat word opgetrokken.

Punt 4: Zijn de oren gelijk? Is er 1 oor wat meer naar voren of achter staat of misschien wel gedraaid.

Punt 5: De kaak. De kaak kun je zowel zien als testen. Als je de lippen van het paard weg haalt kun je zien of er ongelijkheid zit in de snijtanden. Wanneer de snijtanden scheef zijn afgesleten weet je al dat de kaak 1 kant beter op kan dan de andere kant. Wat je ook kunt doen is 1 hand op het neusbeen leggen en de andere hand op de onderkaak. Schuif heel voorzichtig met je hand op de onderkaak naar links. Voel hoe deze gaat in vergelijking met naar rechts. Kijk ook hoe het paard reageert. Soms willen paarden kantelen of gaan ze met hun ogen knipperen.

Punt 6: De lip. Kijk naar de spanning van de lip. Hangt de lip of is 1 kant hoger dan de ander?